Menu
Breadcrumb

Rijnzoutverdrag

De zoutbelasting van de Rijn
Toen de ICBR in 1950 werd opgericht, was de verontreiniging van de Rijn met chloriden al decennialang een bron van zorg in de benedenstrooms gelegen gebieden. Alleen al de MDPA-kalimijnen, die ten noorden van Mulhouse in de Elzas zijn gevestigd, loosden toentertijd elk jaar circa 13 miljoen ton zout op de Rijn. Het resultaat waren chlorideconcentraties van meer dan 400 mg/l aan de Duits-Nederlandse grens en ernstige problemen voor de drinkwaterwinning en landbouwirrigatie.

Het Rijnzoutverdrag
In de jaren zestig ging de ICBR verschillende mogelijkheden na om het zout dat vrijkomt bij de ontginning van kalimijnen op een andere manier te verwijderen. Naast storten in een depot en injecteren in de diepe ondergrond werd er zelfs gedacht aan pijpleidingen of scheeps- en railtransport naar de Noordzee.
In 1976 werd het zogenaamde “Zoutverdrag“(1983) ondertekend. In dit “Verdrag inzake de bescherming van de Rijn tegen verontreiniging door chloriden” was bepaald dat de zoutvracht in drie fasen moest worden gereduceerd. De meest kansrijke oplossing, waaraan toen de voorkeur werd gegeven, was de injectie van het zout in de ondergrond. De eerste fase, waarin de MDPA-lozingen op de Rijn over een periode van tien jaar met 20 kg per seconde moesten worden verminderd, trad op 5 januari 1987 in werking. Het is meteen ook de enige fase die daadwerkelijk is gerealiseerd.
In de tweede fase moesten de zoutlozingen met 60 kg per seconde worden verminderd. Echter, tijdens de negende Rijnministersconferentie op 10 oktober 1988 werd vastgesteld dat de uitvoering van de tweede fase niet doeltreffend genoeg en bovendien te duur was. De werkzaamheden werden gestaakt. Het Zoutverdrag werd een dode letter.

Op 25 september 1991 werd het Aanvullend protocol bij het Zoutverdrag ondertekend, waarin is bepaald dat de chlorideconcentratie aan de Duits-Nederlandse grens niet hoger mag zijn dan 200 mg/l.

Hieraan werd invulling gegeven door middel van twee maatregelen: het beperken van de chloridelozingen uit de Franse kalimijnen tijdens lage rivierafvoeren (bovenop de reductie van 20 kg/s uit de eerste fase) en het verminderen van de zoutconcentratie in het IJsselmeer door het zoute kwelwater uit de Wieringermeerpolder in de Waddenzee te lozen in plaats van in het IJsselmeer. De twee maatregelen werden gezamenlijk bekostigd door de ICBR-verdragsstaten Zwitserland, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland. Op 31 december 1998 zouden de rekeningen worden afgesloten. Ongeveer terzelfder tijd zetten de MDPA-kalimijnen in de Elzas een definitieve streep onder hun activiteiten.