De Maeslantkering: stormvloedkering in de enige open verbinding tussen de Rijn en de zee (foto: RWS Zuid-Holland)

Rijn-Maasmondingsgebied

De Rijn stroomt via drie wegen naar de Noordzee, te weten via het Haringvliet, de Nieuwe Waterweg en het IJsselmeer.

De zuidelijke hoofdarm (Noord en Nieuwe Maas) mondt via de Nieuwe Waterweg ten westen van Rotterdam uit in de Noordzee.

De Nieuwe Merwede is een naar het zuiden gerichte zijtak van de zuidelijke hoofdarm die ter hoogte van Dordrecht uitmondt in het Hollandsch Diep. Deze voormalige inham in de Noordzee gaat over in het Haringvliet dat in 1216 is ontstaan toen een stormvloed een groot gat in de duinen sloeg. Tussen 1958 en 1970 is het Haringvliet in het kader van de Deltawerken door de Haringvlietdam van zee afgesloten. Sluizen maken scheepsverkeer mogelijk. In 2004 werd besloten de Haringvlietsluizen op een kier te zetten, zodat zeewater het Haringvliet kan instromen, trekvissen de sluizen permanent kunnen passeren en tot de denkbeeldige lijn Middelharnis - Spui een brakwaterzone kan worden hersteld.

Hierdoor zal ook De Biesbosch, een voormalig zoetwatergetijdengebied aan het Hollandsch Diep dat is veranderd in een moerasgebied, weer worden gerenatureerd.

De Haringvlietsluizen zullen waarschijnlijk in december 2018 op een kier worden gezet.

De IJssel mondt uit in het IJsselmeer. Het 1100 km² grote IJsselmeer (twee keer zo groot als het Bodenmeer) is ontstaan uit een binnenzee, de voormalige Zuiderzee, die door de Afsluitdijk werd afgescheiden van de Noordzee en daarna langzaamaan veranderde in een zoetwatermeer. Door drooglegging (inpoldering) van delen van de voormalige Zuiderzee is tevens de provincie Flevoland ontstaan. Het IJsselmeer is een populair vakantiegebied en ideaal om te zeilen.

 

Vergroten / verkleinen

AAAAA
 
 

Wist je dat ...

de rivieren in het Rijn-Maasgebied een gemiddeld debiet hebben van ongeveer 2.500 kubieke meter per seconde en daarmee de belangrijkste directe toevoer naar de Noordzee vormen?

 
 

AFSLUITDIJK

De bus rijdt als een kamer door de nacht

de weg is recht, de dijk is eindeloos,

links ligt de zee, getemd maar rusteloos,

wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.

 

Vóór mij de jonge pas-geschoren nekken

van twee matrozen, die bedwongen gapen

en later, na een kort en lenig rekken,

onschuldig op elkanders schouder slapen.

 

Dan zie ik plots, als waar ’t een droom, in ’t glas

ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken,

soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken

de geest van deze bus; het gras

snijdt dwars door de matrozen heen.

Daar zie ik ook mezelf. Alleen

mijn hoofd deint boven het watervlak,

beweegt de mond als sprak

het, een verbaasde zeemeermin.

Er is geen einde en geen begin

aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,

alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

M. Vasalis